Oké. Dit wordt persoonlijk. Echt persoonlijk.
Soms stelden mijn kinderen de vraag die je liever niet hoort:
“Mama, heb je een werkverslaving of zo? Je hoeft toch niet altijd te werken?”
Ik reageerde kortaf, licht geïrriteerd, met mijn vaste riedeltje:
“Mama móét werken, anders hebben we geen geld voor het huis en het eten.”
En ik geloofde dat ook nog.
Ze stopten met vragen en gingen weer spelen. Pfff… dat doet pijn om op te schrijven. Niet omdat zij iets verkeerd deden. Maar omdat ik ergens diep vanbinnen wist dat dit niet het hele verhaal was.
Ook vrienden en familie vroegen het.
“Hoe dóé je dat toch, zoveel werken?”
Mijn antwoord: ik kan gewoon veel verstouwen op een dag. Ik doe waar mijn passie ligt. Want…
Ik ben een Genietwerker, toch?
Werkverslaafd? Ik? Nee joh.
Ik vind werken leuk. Ik rook niet. Ik drink geen alcohol (meer). Ik beweeg. Ik eet bewust. Ik ben toch niet verslavingsgevoelig?
Vol in de weerstand.
Totdat ik – uit nieuwsgierigheid, of misschien uit een vaag knagend ongemak het woord “werkverslaving” intypte op internet.
En las.
Over mensen die steeds nieuwe prikkels nodig hebben.
Die zich pas nuttig voelen als ze hard werken.
Die niet goed weten wat ze met vrije tijd moeten.
Die hoge eisen aan zichzelf stellen.
Die vluchten in werk omdat andere dingen spannend, leeg of ongemakkelijk voelen.
Die pas aan de bel trekken als ze opgebrand zijn.
Ik werd stil.
De woorden die ik had gemarkeerd, waren allemaal raak. Allemaal.
Ik plofte neer in mijn favoriete anti-stress-stoel-met-zachte-deken. Staarde naar buiten. Niets doen. Kijken hoelang dat lukte.
Vijf minuten.
Dan mijn monkey mind iets te doen geven: ademhaling volgen.
Totdat mijn telefoon een subtiel bliepje gaf. Een klant. Een spannend verkoopgesprek vandaag. Zou hij al…?
En daar was ik weer.
Oké. De diagnose was helder.
Ik ben een werkverslaafde
Dat was even slikken.
Verbindend Zakendoen? Dat doe ik.
Genietwerken? Dat deed ik vooral in mijn hoofd.
Sterker nog: ik heb het woord Genietwerken ooit zelf bedacht. Met een prachtige definitie: werken met wie ik wil, wanneer ik wil, hoe ik wil. Vrijheid. Autonomie. Plezier.
Maar eerlijk? Het was ook een elegante schuilnaam voor mijn grenzeloze werkdrang. Voor de kick die ik haalde uit resultaten van klanten. Voor adrenaline vermomd als passie.
BAM. Die kwam binnen.
En toen ontdekte ik nóg iets.
Dit patroon is niet gisteren ontstaan. Het is een kindpatroon dat ik heb meegenomen mijn volwassenheid in. De fixer. Degene die altijd instant en snel harmonie wil creëren in haar omgeving. Spanningen gladstrijken. Problemen oplossen nog vóórdat iemand ze hardop uitspreekt.
Ik hielp automatisch. Ongevraagd. Vanuit de beste intentie.
Totdat ik steeds vaker terugkreeg: “Dit heb ik je niet gevraagd…”
Au.
Dus ben ik gestopt met fixen. Althans: ik oefen. Ik wacht nu op de vraag om hulp. En wat blijkt? Ik heb opeens heel veel tijd over. Tijd om te voelen. Tijd om te onderzoeken waar ik écht goed in ben. Zonder meteen mijn oude “oh, dat doe ik wel ff”-patroon aan te zetten.
Dat is wennen. En eerlijk: soms ook ongemakkelijk.
Ik begon te kauwen op vragen.
Wat geeft me energie?
Wat kost me energie?
Hoeveel ruimte mag werk eigenlijk innemen?
Wat blijft er over als ik niet automatisch aansta?
Het duizelde me. Ik ben hier nog lang niet klaar mee.
Ik vroeg mijn lief om raad. Hij maakte ooit een wereldreis.
“Hoe lang duurde het voordat je niet meer aan werk dacht?”
“Drie maanden,” zei hij.
Oké. Dat kan ik.
Het plan: elk jaar genietwerkend afronden en het volgende ook weer zo beginnen. Ons winterse verblijf in Zuid-Europa mag vertraging brengen. Niet meer werken voor de kick, maar voor de fun. Dit uitzicht. Tijd voor wandelen, gasten ontvangen, niksen.
Pfff… alleen al het woord niksen maakt me licht nerveus.
En dus leg ik hem bij jou neer.
Herken jij dit?
Ben jij – of ken je iemand – die met hetzelfde worstelt (of worstelde)?
Heb je tips, ervaringen, inspiratie?
En bestaat er eigenlijk zoiets als een AA voor werkverslaafden? 😉
Ik luister.



